20/03/2026
Dag 5
Vandaag leken we de toekomst tegemoet te gaan, maar niet zonder een blik op een pijnlijk stuk verleden voor Senegal en het eiland Gorée.
Het begon allemaal bij het krieken van de dag zowat: om 6.30 uur zaten we al aan de ontbijttafel om om 7 uur te kunnen vertrekken voor een verre uitstap naar een plek vol “cultuurhistorische betekenis.
Maar de weg erheen toonde een weg naar de toekomst, als u wil. We moesten ons eerst een weg banen door stofferige steegjes met drukte van muilezeltjeskarretjes, auto’s, mensen langs de weg, en nadien ook bredere lanen met de nodige liggende politieagenten… Maar onze chauffeur Mamadou loodste ons door de wirwar van wegen richting de snelweg.
Jawel, een heuse snelweg à la française. Met de typische verkeersborden, met de typische regels (ma. 110 km/u), met met péages en naar vanavond bleek forse maar niet al te lange files op de spitsuren… Vergelijken met de landelijke wegen of de infrastructuur in kleinere steden is zowat onmogelijk: je waant je op snelweg zowat in het Noorden als je de talloze baobabs even vergeet, de glooiende vulkanische heuvels, de savanne. Nadien zou trouwens nog blijken dat ook China die weg mede heeft gefinancierd.
Ook opvallend: links ontwaarden wij de luchthaven Blaise Ndiage, een verwijzing naar de eerste Senegalese parlementariër in 1880. Het medium van de toekomst herinnert dankbaar aan het verleden.
Nu, onderweg naar morgen, zo leek het wel. We zagen aanvankelijk steeds vaker half afgewerkte huizen met meer verdiepingen oprijzen: Mbour bouwt duidelijk aan nieuwe woonplaatsen en houdt ruimte vrij voor meer… De savanne wijkt steeds vaker voor urbanisatie, maar niets wijst meteen op visionaire ingrepen. En naarmate we Dakar naderden, belandden we steeds vaker in een landschap dat niet moet onderdoen voor West-Europese steden. IK bedoel: reclamepanelen, bijna altijd in het Frans, soms even in het Wolof. hoogbouw in allerlei maten en vormen, grote hotels, een arena, misschien voor het worstelen, en een voetbalstadion, enz. Je zou ook denken dat zich hier een Senegalese middenklasse aan het vormen is. Dan denk je toch even terug aan de mooie projecten die wij hebben kunnen leren kennen, waar aan de basis wordt gewerkt, met bescheiden middelen, vanuit de graswortels (the grassroots), maar niet grootse buitenlandse kapitaalinput.
Hoe dan ook: tijdig kwamen we aan in de haven zodat we ons nog even konden verfrissen vooraleer in te schepen voor het Ile de Gorée, een eiland voor de kust van Senegal. Vijftien minuten of zo volstonden om aan land te gaan op het schilderachtige eiland van 900 bij 300 meter. Het lijkt wel een droomplek, met die kleurrijk bepleisterde woningen in Franse koloniale stijl rond een baobab waar kinderen op een balletje trappen, en verder ook even kleurrijke steegjes en tuinen. Maar schijn bedriegt. De stijl verwijst naar de Fransen die na de Portugezen, de Nederlanders (jawel), de Fransen en nadien de Engelsen de plek veroverden en er de plak zwaaiden – omdat het eiland strategisch gelegen was. Maar de ellende begon na 1492, toen Spanjaarden (en…) Latijns en Midden-Amerika hadden “otdekt” en anderen dan weer Noord-Amerika. Toen werd meteen werd duidelijk dat die gekoloniseerde gebieden grote rijkdom te bieden hadden maar dat de Indianen totaal ongeschikt waren voor het harde labeur. Zo ontstond de slavenhandel: Afrikanen werden als slaven uit hun thuisland weggevoerd en mishandeld, om er “in de nieuwe wereld” tabak, katoen, enz. te telen waarvan de opbrengst naar het Noorden ging.
In het slavenhuis werd ons uit de doeken gedaan hoe de slaven in categorieën werden opgedeeld, in kooien of cellen werden opgesloten en bij verzet in een nis in de muur werden gepropt. Voedsel kregen ze nauwelijks, en als überhaupt, dan vaak halfrot, waardoor er geregeld pest uitbrak. Cnetraal in het gebouw was de poort waardoor zij weggestuurd werden om nooit terug te keren. VIjftien miljoen werden er gerekruteerd, maar zes miljoen verlieten nooit levend het eiland. Pas in 1848 werd de slavernij afgeschaft, maar het eiland herdenkt dit gruwelijk onrecht in dat indrukwekkende kleine museum.
Maar zoals gezegd: nu oogt het eiland paradijselijk, bevolkt als het is door 2000mensen of zo, waaronder kunstenaars en verkopers natuurlijk. Maar wij deden ons graag te goed aan enig lekkers, genoten van een koffie of een chocolamousse met uitzicht op de kleine haven en genoten van het zalige, zachte zomerweer.
Jan